Een pensioensplit in België:
waarom en, zo ja, hoe?
Samenvatting van de studie van Quentin Detienne en Simon Pâques in opdracht van de Raad van de Gelijke Kansen voor Mannen en Vrouwen
De pensioensplit is een zaak van zeer groot belang, het gaat over de invloed die het leven als koppel mag hebben op de pensioenrechten. Het voorstel, dat werd ingediend door de Commissie Pensioenhervorming 2020-2040 en werd vermeld in de federale coalitieakkoorden van 2014, 2020 en 2025, wordt door de voorstanders doorgaans voorgesteld als een positieve stap naar meer gelijkheid tussen vrouwen en mannen. Niet iedereen is daar echter van overtuigd: de sociale partners hebben onlangs geoordeeld dat het geen passend antwoord is op de noodzaak om de gezinsdimensie van de pensioenen te moderniseren.
Het doel van deze onafhankelijke studie is om het debat te helpen onderbouwen, niet om er een definitief oordeel over te vellen. De pensioensplit wordt hier op zichzelf bestudeerd: men onderzoekt of en hoe, en met welke gevolgen, dit een antwoord zou kunnen bieden op de kritiek die is geuit op de huidige gezinsdimensie van het stelsel. De studie spreekt zich daarentegen niet uit over de voordelen ervan in vergelijking met andere mogelijke opties om deze gezinsdimensie te moderniseren. De geanalyseerde hypothese is die van een verdeling die door het pensioenrecht zelf wordt geregeld; de optie om (uitsluitend) een beroep te doen op het vermogensrecht van koppels wordt niet onderzocht. De studie behandelt achtereenvolgens de wettelijke pensioenen en de aanvullende pensioenen. Vervolgens gaat zij in op de vraagstukken die moeten worden opgelost voor de eventuele invoering van een verdeling van de rechten in beide pijlers.
Een splitsing van de wettelijke pensioenen, waarom?
De wettelijke pensioenen en de kritiek op de huidige afgeleide rechten
Wat de wettelijke pensioenen betreft, wordt de kwestie van de invloed van het koppel op de pensioenrechten vandaag in het Belgische recht geregeld door de afgeleide rechten. De kritiek die hierop wordt geuit – waar de auteurs zich niet noodzakelijkerwijs bij aansluiten – kan in twee categorieën worden onderverdeeld. De eerste is gebaseerd op een vergelijking van de situatie van (ex-)echtgenoten en richt zich op het subsidiaire karakter van de afgeleide rechten: subsidiair ten opzichte van het werk (het zou onrechtvaardig zijn om de rechten te verminderen van degenen die een eigen loopbaan hebben gehad, maar die minder lucratief was dan die van hun ex-echtgeno(o)t(e)) en subsidiair ten opzichte van de echtelijke solidariteit (het zou onrechtvaardig zijn om iemand de rechten uit een vorig huwelijk te ontzeggen op grond van het feit dat hij of zij hertrouwt). Deze kritiek gaat ervan uit dat een nieuw doel wordt toegekend aan afgeleide rechten: het compenseren van de negatieve invloed van het samenleven op de loopbaan of het eerlijk verdelen van de vruchten van een loopbaan die alleen mogelijk was dankzij de steun van de partner.
De tweede categorie kritiek is gebaseerd op een vergelijking tussen paren of tussen individuen. In geval van overlijden leiden de regels voor de cumulatie van rustpensioen en overlevingspensioen, bij hetzelfde totaal pensioenbedrag binnen het huishouden, tot resultaten die door sommigen als onrechtvaardig worden beschouwd, afhankelijk van het feit of beide echtgenoten of slechts één van hen pensioenrechten heeft opgebouwd. Bovendien wordt het als onrechtvaardig beschouwd dat een weduwe of weduwnaar of een gescheiden persoon een hoger pensioen kan ontvangen dan iemand anders die zijn of haar hele leven heeft gewerkt. Hier wordt de vinger gelegd op de verzwakking van het verband tussen pensioenrechten en betaald werk, evenals, in dezelfde geest, op het feit dat de samenleving een uitgave draagt die nochtans verband houdt met de taakverdeling die door de echtgenoten overeengekomen of op zijn minst aanvaard werd.
De gevolgen van een pensioensplit
Een split heeft verschillende gevolgen, afhankelijk van het moment in het leven van het echtpaar waarop het ingang vindt: echtscheiding, overlijden of het ontstaan van pensioenrechten voor beide echtgenoten. Hoewel een overlijden heel andere vragen oproept dan de twee andere omstandigheden, kiest de studie er daarom voor om ook in te gaan op het scenario van een split voor de langstlevende echtgenoot, al was het maar omdat dit in bepaalde landen wordt toegepast.
In alle drie de gevallen zou het na de verdeling ontvangen aandeel noch ondergeschikt zijn aan arbeid, noch aan de echtelijke solidariteit: het zou het aandeel in een gemeenschappelijk vermogen vertegenwoordigen en geen compensatie voor een verdwenen solidariteit; hertrouwen zou er dus geen invloed op mogen hebben.
In geval van echtscheiding zou de splitsing de uitkering voor de gescheiden echtgeno(o)t(e) vervangen in de regeling voor werknemers en zelfstandigen. Hoewel dit meer egalitair is dan de huidige regeling, zou de financiële situatie van de gescheiden echtgeno(o)t(e) die weinig of niet heeft gewerkt, hierdoor echter niet verbeteren, aangezien de huidige wetgeving hem of haar al het equivalent van de helft van het pensioen van zijn of haar ex-echtgeno(o)t(e) tegen het gezinstarief toekent; zijn of haar situatie zou pas verbeteren wanneer zijn of haar eigen inkomsten een kwart van die van zijn of haar ex-echtgeno(o)t(e) bedragen. De situatie van de ex-echtgeno(o)t(e) zou daarentegen in alle gevallen verslechteren, aangezien de verdeling wordt gefinancierd uit zijn of haar eigen rechten en niet langer door de gemeenschap. In het stelsel voor ambtenaren zou de splitsing bij echtscheiding de ex-echtgeno(o)t(e) een nieuw recht verlenen, waarvoor momenteel geen equivalent bestaat.
Bij overlijden zou de split altijd ongunstig zijn voor de langstlevende in vergelijking met het huidige overlevingspensioen: dit garandeert hem of haar een bedrag dat ten minste gelijk is aan het rustpensioen van de overledene tegen het tarief voor alleenstaanden, terwijl het bij elkaar optellen en vervolgens in tweeën delen van de rechten van de echtgenoten noodzakelijkerwijs tot een lager bedrag zou leiden. Bovendien zouden de verschillen tussen thuisblijvende vrouwen of mannen en werkende mannen en vrouwen weliswaar worden verkleind, maar ten koste van een verslechtering van de situatie van beide groepen.
Wanneer beide partners gepensioneerd zijn, zou de splitsing het totale inkomen van het huishouden niet wijzigen, maar alleen de interne verdeling ervan: elk zou een individuele uitkering toegewezen krijgen die gelijk is aan de helft van de door het paar opgebouwde rechten. Het effect zou in de eerste plaats symbolisch zijn en zou alleen praktische betekenis hebben als en voor zover elk daadwerkelijk vrij over zijn of haar deel kan beschikken.
Kort samengevat zou de split, wat de wettelijke pensioenen betreft, leiden tot een ingrijpende hervorming van het huidige stelsel, waarbij wordt afgestapt van het subsidiariteitsbeginsel om afgeleide rechten om te zetten in eigen rechten. Twee algemene conclusies komen daarbij naar voren: het zou de uitkeringen die vandaag de dag door de collectieve solidariteit worden gedragen, verschuiven naar de familiale solidariteit, en het zou bepaalde ongelijkheden binnen het koppel, tussen koppels of tussen individuen verminderen, maar voornamelijk door een nivellering naar beneden, wat vragen oproept over de toereikendheid van de pensioenen.
De aanvullende pensioenen
Sinds arresten van het Grondwettelijk Hof (2011) en het Hof van Cassatie (2012) is het principe duidelijk: de tijdens het huwelijk opgebouwde aanvullende pensioenrechten behoren tot het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten en moeten dus bij echtscheiding worden verdeeld. Er bestaat echter geen wettelijk mechanisme dat een daadwerkelijke verdeling van deze rechten mogelijk maakt. Verschillende kenmerken van deze materie staan dit in de weg: de aanvullende pensioenen zijn van private oorsprong en de grote verscheidenheid aan regelingen, wat een uniforme wettelijke oplossing bemoeilijkt; het feit dat de rechten pas bij pensionering beschikbaar komen; het intuitu personae-karakter van het recht om de uitkering te laten uitbetalen; de tussenkomst van de pensioeninstelling, waarop de ex-echtgeno(o)t(e) niet rechtstreeks aanspraak kan maken.
In de praktijk wordt de verdeling daarom meestal opgelost door een compensatie met andere vermogensbestanddelen, waarvan de waardering lastig is, of door een uitstel tot het moment van de daadwerkelijke uitkering – in welk geval het recht van de ex-echtgeno(o)t(e) afhankelijk blijft van het lot van de verzekerde. Het zijn deze moeilijkheden die door een in het pensioenrecht geregelde split zouden kunnen worden overwonnen.
Een pensioensplit, hoe dan?
Mocht er een principebesluit over de invoering van een split worden genomen, dan zouden de modaliteiten daarvan nog moeten worden uitgewerkt. De studie werpt de vragen op die moeten worden beantwoord, na een illustratie van de verschillende vormen van een split aan de hand van buitenlandse voorbeelden.
De buitenlandse voorbeelden
Drie landen illustreren verdelingssystemen van zeer uiteenlopende omvang. Zwitserland voorziet in een verplichte verdeling van de tijdens het huwelijk verworven rechten in de staatspensioenverzekering, en dit in de drie in de studie beschouwde omstandigheden (echtscheiding, overlijden, gezamenlijke inwerkingtreding van de rechten). De langstlevende ontvangt echter, naast het recht dat voortvloeit uit de verdeling, een weduwen(aars)uitkering. Ook het bedrijfspensioen (tweede pijler) wordt bij echtscheiding verdeeld, hoewel de echtgenoten hier onder bepaalde voorwaarden van kunnen afwijken. Duitsland kent sinds 1977 een verplichte verdeling bij echtscheiding, die betrekking heeft op de drie pijlers; hieruit ontstaat een eigen recht, onafhankelijk van het lot van de ex-echtgeno(o)t(e). Een tweede, optionele verdeling, beperkt tot de eerste pijler, vervangt het overlevingspensioen voor paren die hierom verzoeken. Uit de beschikbare evaluaties blijkt dat de verdeling bij echtscheiding de pensioenen van gescheiden personen zeer effectief gelijk maakt, maar op een niveau dat dicht bij de armoedegrens ligt. Nederland kent ten slotte een weinig bekende verdeling van de tweede pijler, die alleen bij echtscheiding plaatsvindt; het recht dat aan de gescheiden echtgeno(o)t(e) wordt toegekend, blijft afhankelijk van de situatie van de ex-echtgeno(o)t(e).
De te beantwoorden vragen
De eerste vraag betreft het ‘wanneer’: onder welke omstandigheden moet de verdeling worden georganiseerd – op verplichte of vrijwillige basis – en welke mogelijkheden zijn er voor aanpassing via een cao? De tweede vraag betreft het ‘wat’: worden alleen de werkelijke bezoldigingen verdeeld, of ook de fictieve bezoldigingen die verband houden met (alle) gelijkgestelde periodes? Worden ook de loopbaanvoorwaarden verdeeld, aangezien deze cruciaal zijn, met name voor de toegang tot de gegarandeerde minimumbedragen en het vervroegd pensioen? Wordt er voorzien in een gesloten verdeling of kunnen pensioenrechten worden gecompenseerd met andere vermogensbestanddelen? De derde vraag betreft de aard van het recht dat voortvloeit uit de verdeling: vormt het een volkomen autonoom recht of is het afhankelijk van het ontstaan van het hoofdrecht waarvan het wordt afgeleid?
Andere vragen hebben meer in het bijzonder betrekking op de aanvullende pensioenen: ze hebben betrekking op de organisatie van een standaardregeling voor de verdeling binnen de wettelijke gemeenschap, de invoering van een objectieve waarderingsmethode voor de rechten en een versoepeling van de onbeschikbaarheid ervan, de volgorde van de begunstigden bij overlijden of de koppeling van de verdeling aan de uitkering in de vorm van een kapitaalbedrag.